De witte wolk

De zon schijnt met krachtige stralen over de stad Bandoeng.
Dagenlang heerst er een broeierige hitte die op verkoeling wacht. De grote bladeren van de pisangboom zijn dorstig en hangen er droog bij. De straatverkoper doet een dutje onder een schaduwrijke boom. De straatkapper rookt verveeld zijn kreteksigaret (sigaret met kruidnagelen). De fietstaxibestuurder wacht loom en geeuwerig in zijn fietstaxi op klanten.
Een vogel cirkelt eenzaam door de lucht op zoek naar voedsel.

Rond de eethuisjes waar ijskoude drankjes aangeboden worden zwermen veel vliegen.
Ze gonzen in velerlei tonen. Ik zie het getril van hun doorzichtige vleugeltjes en waar ze neerstrijken het geschuifel van hun plakpootjes. Overal ligt stof, zelfs de bladeren zijn bedekt met een laagje stof.
Opeens begint het hard te oedjannen (regenen), een tropische regenbui barst onverwachts los. Geen voorzichtige druppels die de bui aankondigen, nee, het ene moment is er nog volop zon en het volgende ogenblik klettert de oedjan met volle vaart naar beneden.

Bonah,de dienstmeid, geeft een gil en begint met wasgoed heen en weer te rennen. Op het dak van een bijgebouw ligt een schaalvormige rietenmand met kra (gedroogde rijst) te verdrinken. Met bakken tegelijk stort het verkoelende regenwater op het land neer. De grond sist van vreugde en slurpt gulzig als een woestijnreiziger dit levensreddende water naar binnen.

Bandjir (overstroming) overal. De kali treedt buiten zijn oevers door deze weldadige hemelse gave. Op de straat stroomt het water als een verkoelend beekje over mijn voeten. Ik ben door en door nat geworden.
Mijn broek, mijn blouse, mijn strohoed, mijn gezicht, mijn handen, mijn armen, mijn borst, mijn buik, mijn benen en mijn voeten worden door de heftige oedjan overspoeld. Mijn kleren kleven aan mijn lichaam. Ik doe snel mijn blouse uit, geniet van de verkoelende waterstroom op mijn huid. Mijn huid opent zich voor deze hemelse ontmoeting.
Mijn huid is mijn buitenkant, daar wordt verbinding gemaakt met wat daaronder leeft, mijn binnenkant. Daar gebeurt het... Mijn toekomst verandert... het komt in mij naar binnen lang voordat het gebeurt. Ik spring vrolijk rond in de regen. Buiten zijn is voor mij leven, de moessonregen is welkom na al die hete dagen.
De oedjan neuriet, heeft een eigen geluid, zingt een lied voor het land. Een lied voor mij.
De witte wolk aan de hemel is in lachen uitgebarsten. Tranen van het lachen rollen over zijn wangen, vallen naar beneden op de bomen, op het land, op de mensen.

De bladeren aan de bomen zitten vol met lachende tranen. De aarde wordt gevuld met kostbaar water en gaat leven, gaat bloeien.
Singing in the rain... Door de vreugde van de witte wolk komt er een lied in mij op. Hoeveel druppels regen vallen er op de grond? Honderden... duizenden...miljoenen... miljarden... triljoenen... Hoeveel druppels kan ik in mijn hoed vangen?

Ik tel in het maleis: satoe, doewa, tiga, ampat, lima, enam, toedjoe, delapan, sembilan, sepoeloeh ... Gila- gila, van gekkigheid gooi ik mijn hoed in de lucht en vang hem weer op. Ik ren heen en weer, een spel met de oedjan spelend.

Ik ben de garoeda (mystieke vogel). Ik cirkel rond met mijn langgevederde vleugels. Ik zweef genietend van het weidse uitzicht als een grote schaduw boven de stad, mijn vleugels beschermen de stad. Ik dans. Ik dans in de oedjan met...Ik roep in de oedjan een naam.
Als ik hard roep, heel hard roep, komt mijn vriendinnetje Beeb over het gras naar mij toe, dansend en lachend in haar witte katoenen jurk.
Ze zweeft bijna over het groen, zo licht is zij.
Haar gitzwarte haren zijn nat en haar jurk kleeft doorschijnend tegen haar mooie zachte huid. Haar ogen zijn zacht, vol verlangen.
Om haar hals draagt ze een ketting van lange grassprieten versierd met witte bloemen. Deze zal ze straks af doen en om mijn hals hangen.
Ik zie haar bruine lichaam door het natte wit van haar kleding. Haar kleine borsten zijn zichtbaar achter een witte klamboe. Ze komt over het natte gras naar mij toegerend en lacht, strekt haar armen uit en vraagt om een tjioem (kus). Niet één tjioem, niet twee tjioems, niet drie tjioems.... ze wil ontelbare tjioems, overal op haar gezicht, haar handen, haar armen, haar borst, haar buik... Omdat ze zo haastig is verliest ze haar evenwicht, valt en komt boven op mij terecht. Hoe zacht en warm voelt haar lichaam als we zo dicht bij elkaar zijn en wij onze gevoelens de vrije loop laten.
Dit moment, dit gevoel mag nooit meer voorbijgaan.
Ze wil mij... ik ben haar droom en haar verlangen.
Ik ben de ruisende oostenwind die haar meeneemt op een witte wolk naar de zoetheid van het paradijs. …

vervolg zie mijn roman 'De Aanpassing'