De Javaanse bron

Ik mompel legi... paing... pon... wage... kliwon... morgen of overmorgen spreek ik Javaans met de baboe Bonah, die ik elke dag Javaans hoor praten. Haar taal klinkt wonderlijk mystiek, uit een andere wereld. Bovenwereld... tussenwereld...
onderwereld?
Het is een wereld waar ik (nog) niet mag komen. Hoewel ik van mijn oma van moederskant, Javaans bloed in mij heb, ben ik onbekend gebleven met de Javaanse mystiek.
Ik wil dichter bij die andere wereld van Bonah komen, dan kom ik ook bij mijn oma die ik niet heb gekend.
Misschien moet ik een ritueel doen? Ik versta haar wereld niet, nog niet. Ik ben leergierig. Ik wil veel weten.
De slanke en lenige Bonah met haar gondé (haarwrong), sarong kebaja (kleed en blouse) en sirih (een pruim met kalk en blad) in haar mond staat ergens voor. Maar ik weet nog niet wat dat is. Elke morgen volg ik haar ritueel. Ze pakt haar sirihdoos, vouwt enkele blaren, snijdt wat van een nootje en begint dan rustig te kauwen.
Ik kijk in haar mond en ik zie dat die fel rood is van binnen. Haar tanden, haar tong en haar lippen lijken te bloeden. Ik kijk naar haar onbewogen uitdrukking en denk plotseling:
“Er is iets gebeurd... Ze bloedt, ze is ziek, ze gaat dood.” Dit alles flitst door mijn hoofd.
"Ik moet iets doen. Straks valt ze flauw."
"Saja pangil bantoe ja" (ik zal hulp halen), wil ik tegen haar zeggen.
Maar de Javaanse vrouw djongkok (hurken) onverstoord met haar waaier achter de vuurpot waar ze de arang-arang (houtskool) laat gloeien. Ze roostert satéé boven het vuur. De geur verspreidt zich, komt naar mij toe, waait door mijn neusgaten naar binnen.
Ik herken de geur en weet de smaak. Ik wil haar taal en haar voedsel. Haar masakan is paling istemewa (haar kookkunst is bijzonder). Straks kookt ze nasi rames met kip en sambal goreng oedang (garnalen).
Soms maakt ze ook lekkere sajoer toemis van taogé (groenten) of Javaanse omelet. Mijn ogen prikkelen van de rook en haar bruine gezicht wordt omgeven door slierten rookwolken die haar af en toe doen verdwijnen.
De zon straalt tropisch fel, maakt het rood op haar samengeknepen lippen nog feller.
Ze kauwt sirih en spuwt het rode vocht met een straaltje op de grond. Overal waar ze komt, deze stille en geheimzinnige vrouw, krijgt de aarde rode plekken.
Dat zijn haar tekens en boodschappen die ze heeft gekauwd en herkauwd en naar de aarde stuurt...
Na een tijd komen haar gebaren en emoties als uit het binnenste van een vulkaan naar boven en vloeide hete lava over het land. De nietsontziende stroom lava zal alles meesleuren en vernietigen, om op een later tijdstip de grond vruchtbaar te maken, zo vruchtbaar als het nog nooit is geweest. Haar Javaanse ziel is veranderd van een rustige stroom in een kolkende hete massa.

Ik bewonder Bonah steeds meer om haar discipline en zelfbeheersing tijdens deze zware vastenmaand.
Ze doet hele gewone dingen die buitengewoon worden door de manier waarop ze het doet.
Haar houding spreekt een eigen taal. De wijze waarop ze de dingen doet met gevoel, aandacht, subtiele handbewegingen en innerlijke rust komt uit een geheime Javaanse bron.
Ze zucht niet, ze klaagt niet, alles wordt in een ongedwongen stilte gedaan. Deze vastenperiode is niet zo'n gemakkelijke tijd, de mens wordt dan beproefd. Gedurende deze tijd mag een mens niet boos worden, niet vloeken en geen seksuele gemeenschap hebben. Van zonsopgang tot zonsondergang wordt er niet gegeten of gedronken.
De tropendag begint al heel vroeg, om vijf uur reeds als de matahari zich groots aankondigt. Vooraf de strijd van het licht met de duisternis, de geheimzinnige macht wordt ontkracht, het licht, het leven overwint.
De aanbrekende dag kondigt zich aan in een vlammende beweging, een schitterend ontwaken van het leven in de tropen. Daar is het krassende geluid van de tonggérét (krekel) die de morgenstilte verbreekt, gevolgd door het gejuich van de hanen. Dit is het teken voor een lange en droge dag voor Bonah.
"Mangga pinarak"(kom ga zitten), zegt ze tegen mij in haar taal.
Ik voel wat ze bedoelt. Ik hurk tegenover haar, bestudeer haar
gezicht en probeer haar te doorgronden. Tevergeefs...
Het ketst af op een bamboemuur waar ik niet doorheen kan komen.
Niet zij, maar ik ben het onderwerp van observatie, ze kijkt naar mij met haar zwarte ogen die mij doorboren.
Ik weet niet wie deze mystieke vrouw is. Soms glimlacht ze even naar mij alsof ze iets gezien heeft en mij wil troosten...
Zij kijkt niet zomaar, neen, ze ziet met heel haar wezen, met al haar zintuigen. Als ik haar droge lippen zie wil ik tjendol (drankje) met delima (granaatappel) in rozenstroop en kwee-kwee (koekjes) voor haar halen, want ze mag niet dood gaan. Ik wil haar geheim, haar leven begrijpen zoals ze daar voor me zit. Ze is sterk en moedig en zal alles weigeren wat ik haar ook geef.
Nee, ik heb haar niets te geven. Zij heeft mij iets te geven uit haar leven, uit haar voorgeschiedenis.

(Misschien heeft het tien of twaalf jaar geduurd voordat ik haar eeuwenoude gedachtengoed begreep. Het heelal en de mens kunnen met elkaar in harmonie verenigd worden.
Overeenkomstig de Javaanse opvatting is de ideale mens '...sepi ing pamrih rame ing gawe, amemayu bawana...' zij die hard werkt zonder enige zelfzucht en die streeft naar de vervolmaking van de wereld.
Op zoek naar haar geheim lees ik veel in de geschriften van de Javaanse wijzen aan wie enkele mysteriën werden geopenbaard. Zowel de goede als de kwade geesten komen erin voor, engelen, helpers en boosdoeners.
Een kosmos die zich vlak om haar heen verdicht tot fijnstoffelijke vormen, dit is alleen waarneembaar voor enkele zieners.
Bonah concentreert zich op haarzelf, zo schept zij afstand tussen haar en de wereld. Daardoor kan zij zich bevrijden van alles om haar heen. Ze wordt gelouterd. Zij beheerst de kleine wereld en haar ik.)
Bonah is maloe. Maloe gaat diep, dieper dan alleen schaamte.
Het wordt aangeleerd en geoefend, om tot een haarfijn zuiver gevoel te worden, teneinde anderen, in de omgang geen pijn te doen of in verlegenheid te brengen. Anders dreigt iemand maloe (zijn gezicht te verliezen) te worden en kan men niet meer met elkaar praten.
Dit nu moet worden vermeden, want zo lang men nog met elkaar praat, is er niets onherroepelijks geschied en blijft elk probleem oplosbaar.
Een verzoek ronduit afwijzen, iemand rechtstreeks tegenspreken zal Bonah in haar Javaanse hoffelijkheid nooit doen. De verborgen kracht van maloe is in haar.
Bonah is er. Zij hoeft niet te bewijzen dat ze bestaat…. (zie verder mijn roman "De Aanpassing")